WET van 17 februari 2007, houdende regeling voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingmiddelen en biociden (Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen alsmede voor de toelating en registratie, het op de markt brengen en het gebruik van biociden, mede gelet op richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230) en richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 123);
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

@

Artikel 1. Definities

1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

basisstof: in bijlage 1B bij richtlijn 98/8/EG opgenomen stof die hoofdzakelijk voor andere dan bestrijdingsdoeleinden wordt gebruikt, maar in ondergeschikte mate als biocide wordt toegepast, hetzij rechtstreeks, hetzij in een product dat bestaat uit die stof en een eenvoudig oplosmiddel, dat zelf geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof is, en die niet rechtsreeks voor gebruik als biocide op de markt wordt gebracht;

biocide: werkzame stof of preparaat dat één of meer werkzame stoffen bevat, bestemd of aangewend om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of het op andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden, niet zijnde een gewasbeschermingsmiddel en opgenomen in bijlage V bij richtlijn 98/8/EG;

biocide met een gering risico: biocide die als werkzame stof uitsluitend een of meer in bijlage 1A bij richtlijn 98/8/EG aangewezen, geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen bevat;

college: College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, genoemd in artikel 3;

communautaire maatregel: verordening, richtlijn of beschikking als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (Trb. 1957, 91) betrekking hebbende op gewasbeschermingsmiddelen of biociden;

gebruiker: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gewasbeschermingsmiddel of biocide toepast, toedient, doet toepassen, of doet toedienen;

geïntegreerde bestrijding: de rationele toepassing van een combinatie van biologische, biotechnologische, chemische, mechanische en fysische bestrijding, teelt- of gewasveredelingsmaatregelen, waarbij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt beperkt tot het strikte minimum dat noodzakelijk is om populaties van schadelijke organismen onder de niveaus te houden waarbij in economisch opzicht onaanvaardbare schade of verliezen optreden;

gewasbeschermingsmiddel: werkzame stof of preparaat dat één of meer werkzame stoffen bevat, bestemd of aangewend om:

1°. planten of plantaardige producten te beschermen tegen alle schadelijke organismen of de werking daarvan te voorkomen;

2°. levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover het niet gaat om nutritieve stoffen;

3°. plantaardige producten te bewaren;

4°. ongewenste planten te doden; of

5°. delen van planten te vernietigen of een ongewenste groei van planten af te remmen of te voorkomen;

juist gebruik: rationele toepassing van een combinatie van fysische, biologische, chemische of andere maatregelen waardoor het gebruik van biociden tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt;

kaderformulering: specificaties voor een groep van biociden voor hetzelfde gebruik en dezelfde gebruikerssoort, welke groep van producten dezelfde werkzame stoffen met dezelfde specificaties bevat en in samenstelling slechts afwijkingen ten opzichte van een eerder toegelaten biocide vertoont die niet van invloed zijn op het aan die biocide verbonden risico en haar doeltreffendheid;

milieu: water, lucht, bodem en wilde soorten van dieren en planten alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met levende organismen;

Onze Minister:

– voor wat betreft gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige producten die slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, alsmede voor de toepassing van hoofdstuk 2: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

– voor wat betreft biociden alsmede gewasbeschermingsmiddelen bestemd voor plantaardige producten die slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Onze Ministers: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

op de markt brengen: iedere vorm van distribueren, leveren, afleveren of vervoeren, al dan niet tegen betaling, met uitzondering van leveringen voor opslag en daaropvolgende verzending buiten het grondgebied van Nederland;

plant: levende plant en levend deel van een plant met inbegrip van vers fruit en zaden;

plantaardige producten: van planten afkomstige producten die geen of slechts een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, zoals malen, drogen of persen, voor zover het geen planten zijn;

preparaat: mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen, waarvan ten minste één een werkzame stof is, en die voor gebruik als gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk als biocide, zijn bestemd;

registratie: bestuursrechtelijk besluit waarmee toestemming wordt gegeven om een biocide met een gering risico op de markt te brengen;

residu: één of meer van de in een gewasbeschermingsmiddel of biocide aanwezige stoffen, die als gevolg van het gebruik ervan achterblijven, met inbegrip van de metabolieten van die stoffen en de producten die bij de afbraak of de reactie vrijkomen;

richtlijn 91/414/EEG: richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230);

richtlijn 98/8/EG: richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 123);

schadelijk organisme: elk organisme dat ongewenst aanwezig is of een schadelijke invloed heeft of waarvan uit anderen hoofde bestrijding of afwering wenselijk is;

stof: chemisch element of verbinding daarvan, zoals dat of zoals deze in de natuur voorkomt of industrieel wordt vervaardigd, met inbegrip van alle verontreinigingen die onvermijdelijk bij het fabricageproces ontstaan;

toelating: bestuursrechtelijk besluit waarmee wordt toegestaan dat een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt wordt gebracht;

tot bezorgdheid aanleiding gevende stof: iedere stof, met uitzondering van de werkzame stof, die als intrinsieke eigenschap heeft dat zij een schadelijk effect heeft op mensen, dieren of het milieu en die in een biocide in voldoende concentratie aanwezig is of ontstaat om een dergelijk effect te veroorzaken;

verklaring van toegang: document, ondertekend door de rechthebbende op relevante gegevens die door richtlijn 91/414/EEG en richtlijn 98/8/EG beschermd zijn, waarin verklaard wordt dat die gegevens door het college gebruikt mogen worden voor toelating van een gewasbeschermingsmiddel, dan wel toelating of registratie van een biocide;

verpakking: omhulsel waarin een gewasbeschermingsmiddel of biocide aan of ten behoeve van een gebruiker wordt afgeleverd, of dat daartoe is bestemd;

werkzame stof: stof of micro-organisme, met inbegrip van een virus of fungus met een algemene of specifieke werking op of tegen schadelijke organismen.

2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «gebruiken» mede verstaan de aanwezigheid van een werkzame stof, al dan niet in een gewasbeschermingsmiddel of biocide, op of in gebouwen, plaatsen, voorwerpen, de grond dan wel op of in planten of plantaardige producten, met uitzondering van binnen Nederland gebracht uitgangsmateriaal waaronder stekken en zaaizaad, voor zover de werkzame stof in het land van herkomst op het uitgangsmateriaal is toegepast in overeenstemming met de wetgeving van dat land.

3.Onder een biocide wordt mede verstaan een werkzame stof die door de gebruiker op de plaats van toepassing is gegenereerd door middel van apparatuur die niet bij ministeriële regeling is uitgezonderd van de werking van deze wet.

@

Artikel 2. Mededeling van communautaire maatregelen

1.Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van de vaststelling of wijziging van een communautaire maatregel voor zover daaraan uitvoering moet worden gegeven, onder vermelding van de artikelen van deze wet waarop de desbetreffende communautaire maatregel betrekking heeft.

2.In afwijking van het eerste lid wordt een communautaire maatregel die slechts bepalingen inzake de opneming of niet-opneming van een werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG alsmede bijlage I, IA of IB bij richtlijn 98/8/EG, bevat door het college in de Staatscourant gepubliceerd.

3.Een communautaire maatregel of wijziging daarvan gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop daaraan uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

@

Hoofdstuk 2. Het college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

@

Artikel 3. College

Er is een College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het college bezit rechtspersoonlijkheid.

@

Artikel 4. Taken college

Het college is belast met:

a. het toelaten van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig hoofdstuk 4 dan wel hoofdstuk 9 van de wet;

b. het toelaten of registreren van biociden overeenkomstig hoofdstuk 5 dan wel hoofdstuk 9 van de wet;

c. het bijhouden van het in artikel 42 bedoelde register;

d. het verlenen van de in de artikelen 37 en 64 bedoelde vrijstellingen voor proefdoeleinden; en

e. andere, bij algemene maatregel van bestuur opgedragen taken, die verband houden met de onder a tot en met d bedoelde taken.

@

Artikel 5. Samenstelling college

1. Het college bestaat uit vijf leden, de voorzitter daaronder begrepen, en ten hoogste vier plaatsvervangende leden. De benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid op het gebied van de taken waarmee het college is belast.

2. De leden wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

3. De leden en de plaatsvervangend leden worden voor de duur van vier jaren benoemd. Zij zijn ten hoogste twee keer herbenoembaar.

4. De leden en de plaatsvervangend leden hebben op persoonlijke titel zitting in het college en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

5. Zolang in een vacature niet is voorzien, vormen de overblijvende leden het college, met de bevoegdheid van het volledig college.

6. Leden en plaatsvervangend leden die zijn benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, treden af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats zij zijn benoemd, zou moeten aftreden.

7. De bezoldiging dan wel schadeloosstelling, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, voor de leden en plaatsvervangende leden van het college komt ten laste van de begroting van het college.

@

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2010]

@

Artikel 7. Secretariaat

1.Het college heeft een secretaris en een secretariaat. Het secretariaat is belast met de ondersteuning van het college.

2.De secretaris wordt op voordracht van het college benoemd door Onze Minister. Hij kan worden geschorst of ontslagen door Onze Minister.

3.De secretaris van het college is tevens directeur van het secretariaat. Hij is belast met de dagelijkse leiding daarvan.

@

Artikel 8. Reglement college

1. Het college stelt een bestuursreglement vast, waarin in ieder geval wordt geregeld:

a. de werkwijze van het college en de taakverdeling tussen de leden, en

b. overige zaken betrekking hebbende op de uitvoering van het bij of krachtens deze wet gestelde, waaronder de nadere eisen, bedoeld in artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Het college kan bij het reglement zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte opdragen aan een of meer leden van het college of aan de secretaris. Het kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde aangelegenheden.

3. Het college kan bij het reglement de uitoefening van daarbij aan te wijzen taken en bevoegdheden opdragen aan een of meer leden of aan de secretaris.

4. [Vervallen.]

5. [Vervallen.]

6. In aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, kan het college in een bestuursreglement regels stellen voor het bij een schriftelijke aanvraag overleggen van gegevens op een elektronische gegevensdrager en de aanvrager daartoe verplichten, voorzover een belanghebbende de gegevens niet langs elektronische weg verzendt als bedoeld in artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht.

@

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2010]

@

Artikel 10. Tarieven

1. Voor zover de kosten van het college betrekking hebben op de in artikel 4 bedoelde wettelijke taken, worden zij gedekt uit door het college vast te stellen en in rekening te brengen tarieven voor:

a. de behandeling van een aanvraag voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen of voor de toelating of registratie van biociden of een verlenging daarvan als bedoeld in de artikelen 39 en 66;

b. de behandeling van een verzoek om vrijstelling als bedoeld in de artikelen 37 en 64;

c. de behandeling van een aanvraag tot erkenning als bedoeld in artikel 37, zesde lid, en artikel 64, zesde lid;

d. de behandeling van een verzoek tot wijziging of intrekking van een toelating als bedoeld in de artikelen 41 en 68;

e. elk jaar dat een gewasbeschermingsmiddel of biocide in verband met de toelating of registratie op 1 februari van het kalenderjaar waarvoor het tarief voor de jaarlijkse vergoeding verschuldigd is, staat ingeschreven in het in artikel 42, tweede lid, bedoelde register;

f. het nemen van een besluit tot toelating waarvan een kaderformulering als bedoeld in artikel 62 deel uitmaakt of een verlenging daarvan als bedoeld in artikel 66; en

g. het verrichten van andere taken als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, voor zover deze taken niet vallen onder de activiteiten, genoemd in de onderdelen a tot en met f.

2. De in het eerste lid bedoelde tarieven hebben een rechtstreeks verband met de in dat lid bedoelde activiteiten en belopen niet meer dan nodig is ter dekking van de gemaakte kosten die zijn toe te rekenen aan de onderscheiden activiteiten.

@

Artikel 11. Inkomsten

De inkomsten van het college bestaan uit:

a. de opbrengsten van de tarieven, bedoeld in artikel 10;

b. vergoedingen voor verrichte diensten;

c. bijdragen van het Rijk;

d. andere baten, hoe ook genoemd.

@

Artikel 12. Verantwoording

1. Het college stelt jaarlijks een werkplan voor het eerstvolgende jaar vast. Het werkplan bevat tevens een visie op de ontwikkelingen voor de eerstvolgende vier jaren met betrekking tot aard en omvang van de aan het college toebedeelde taken en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de organisatie. Het werkplan wordt vóór 1 oktober aan Onze Ministers ter kennis gebracht.

2. Indien de goedkeuring wordt onthouden aan de begroting, is het college gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van ten hoogste een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande jaar waarmee is ingestemd.

3. Onze Minister kan tevens een onderzoek instellen naar de doelmatigheid van het beheer, de organisatie en het beleid van het college alsmede naar de doeltreffendheid van de uitvoering en het beleid van het college. Desgevraagd geeft het college ten behoeve van dit onderzoek inzage van de boeken en bescheiden en verstrekt het alle inlichtingen die voor dit onderzoek nodig geoordeeld worden.

4. Onze Minister kan nadere regels stellen over de inrichting van het werkplan, bedoeld in het eerste lid, alsmede het jaarverslag, de begroting en de jaarrekening bedoeld, in artikel 18, respectievelijk artikel 26, respectievelijk artikel 34 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

@

Artikel 13. Informatieverstrekking

Onze Minister stelt na overleg met het college een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat regels met betrekking tot de informatievoorziening tussen Onze Ministers en het college.

@

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2010]

@

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2010]

@

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2010]

@

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2010]

@

Hoofdstuk 3. Algemene verboden

@

Artikel 18. Zorgplicht

Een ieder is verplicht ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen of biociden of de tot die middelen behorende werkzame stoffen alsmede ten aanzien van lege verpakkingen voldoende zorg in acht te nemen. Die zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten gevaar ontstaat of kan ontstaan voor de mens, voor dieren of planten waarvan de instandhouding gewenst is, voor planten die aan anderen toebehoren of voor bodem of water, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel onverwijld alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde voornoemd gevaar te voorkomen of de nadelige gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

@

Artikel 19. Verbod op de markt brengen en voorhanden hebben werkzame stoffen

Het is verboden een werkzame stof op de markt te brengen, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of, al dan niet in een gewasbeschermingsmiddel of biocide, te gebruiken.

@

Artikel 20. Verbod op de markt brengen gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt te brengen, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, dat niet ingevolge deze wet is toegelaten of, voor zover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd.

@

Artikel 21. Uitzonderingen op verboden

1.Het verbod, bedoeld in artikel 19, geldt niet voor een werkzame stof die tot de samenstelling behoort van een ingevolge deze wet toegelaten gewasbeschermingsmiddel of een ingevolge deze wet toegelaten of geregistreerd biocide.

2.Voor de toepassing van het eerste lid en de artikelen 19 en 20 gelden als toegelaten of geregistreerd: gewasbeschermingsmiddelen of biociden, op de verpakking waarvan de naam van een toegelaten of geregistreerd middel en het nummer van de toelating of de registratie zijn vermeld en die zijn opgenomen in het in artikel 42, tweede lid, bedoelde register.

@

Artikel 22. Verbod op handelen in strijd met gebruiksvoorschriften

1.Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften die krachtens de artikelen 29 en 50 bij de toelating worden vastgesteld.

2.Het is verboden toegelaten gewasbeschermingsmiddelen, onderscheidenlijk toegelaten of geregistreerde biociden, op de markt te brengen of voorhanden of in voorraad te hebben indien de krachtens de artikelen 29 en 50 voor het gebruik gegeven voorschriften niet op de daarbij voorgeschreven wijze op, aan of bij de verpakking zijn vermeld of indien het gehalte aan werkzame stof en de verdere samenstelling, kleur, vorm, afwerking, verpakking, aanduidingen of vermeldingen niet aan die voorschriften voldoen.

3.Het in het tweede lid bedoelde verbod geldt niet voor zover het college een voorziening heeft getroffen voor het op de markt brengen, in voorraad houden, voorhanden hebben of gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in artikel 41, derde lid, of artikel 68, derde lid, dan wel voor zover wordt voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 74, tweede lid, en artikel 75, onderdeel c, bepaalde.

4.Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op vrijstellingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, artikel 38, eerste lid, artikel 64, eerste lid, en artikel 65, eerste lid, alsmede erkenningen als bedoeld in artikel 37, zesde lid en artikel 64, zesde lid.

@

Hoofdstuk 4. Gewasbeschermingsmiddelen

@

§ 1. Algemene bepalingen

@

Artikel 23. Procedure

1.Het college neemt op aanvraag een besluit omtrent toelating van een gewasbeschermingsmiddel.

2.Een besluit omtrent toelating wordt genomen binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn. Deze termijn kan krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van een communautaire maatregel inzake de opneming of niet opneming van een werkzame stof op bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG.

3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarbij een op aanvraag te nemen besluit omtrent toelating na de in het tweede lid bedoelde termijn, van rechtswege is verleend of niet verleend.

4.Indien een besluit omtrent toelating niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn, kan worden genomen en een eerder verstrekte toelating van het gewasbeschermingsmiddel voor het einde van die termijn vervalt, kan het college het vervallen van de eerder verstrekte toelating opschorten tot de dag waarop het college op de aanvraag heeft besloten, onverminderd artikel 28, vierde lid.

5.Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot verlenging, intrekking of wijziging die op aanvraag zijn genomen.

@

Artikel 24. De aanvrager

1.Een aanvraag wordt in behandeling genomen indien de aanvraag in de Nederlandse taal is opgesteld en wordt ingediend door een binnen de Europese Unie gevestigde:

a. natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van het gewasbeschermingsmiddel;

b. officiële instantie, die zich bezig houdt met landbouwactiviteiten;

c. wetenschappelijke instantie, die zich bezig houdt met landbouwactiviteiten;

d. beroepsinstantie op landbouwgebied;

e. beroepsgebruiker.

2.Een aanvraag van een instantie of gebruiker als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, wordt slechts in behandeling genomen indien die aanvraag betreft:

a. een uitbreiding van de toepassing van een eerder toegelaten gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 31, eerste lid;

b. toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 32, eerste lid, of 33, eerste lid.

@

Artikel 25. De aanvraag

1.Een aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten:

a. een dossier betreffende het gewasbeschermingsmiddel dat, voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels voor de uitvoering van richtlijn 91/414/EEG of een voor die richtlijn vastgestelde communautaire maatregel of een verklaring van toegang tot voornoemd dossier;

b. een dossier betreffende elke werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels voor de uitvoering van richtlijn 91/414/EEG of een voor die richtlijn vastgestelde communautaire maatregel of een verklaring van toegang tot een dossier als hiervoor bedoeld.

2.Indien Onze Minister overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging, of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kan hij, indien een onmiddellijke voorziening vereist is, regelen stellen overeenkomstig de voorgenomen maatregelen.

3.Een regeling als bedoeld in het tweede lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na het in werking treden van de regeling.

@

Artikel 26. Proeven op gewervelde dieren

1.Een aanvraag die vergezeld gaat van een dossier waar proeven op gewervelde dieren aan ten grondslag liggen, wordt niet in behandeling genomen tenzij de aanvrager voorafgaand aan die proeven bij het college inlichtingen heeft ingewonnen omtrent proeven op gewervelde dieren die bij een eerdere aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel zijn uitgevoerd.

2.Het college verstrekt de volgende informatie:

a. of de eerdere aanvraag tot een toelating heeft geleid;

b. de naam en het adres van degene op naam van wie de toelating is geregistreerd.

3.Het college maakt de identiteit van de betrokken partijen over en weer bekend, nadat hij zekerheid heeft gekregen over het voornemen tot het doen van proeven op gewervelde dieren.

4.De betrokken partijen als bedoeld in het derde lid, doen al hetgeen redelijkerwijs van hen kan worden verlangd om overeenstemming te bereiken over de uitwisseling van informatie, ten einde onnodige herhaling van proeven met gewervelde dieren te beperken.

5.Het college stelt op grond van artikel 8 regels over uitwisseling van gegevens, waaronder regels over de vergoeding te betalen door de aanvrager voor de kosten van proeven op gewervelde dieren van degenen die eerder gegevens over deze proeven hebben overgelegd.

@

Artikel 27. Gegevensbescherming

1.Het college gebruikt bij de behandeling van de aanvraag geen gegevens die door andere aanvragers zijn verstrekt, tenzij de aanvrager met de andere aanvrager schriftelijk is overeengekomen dat deze gegevens mogen worden gebruikt.

2.In afwijking van het eerste lid, kan het college, bij de behandeling van de aanvraag gebruik maken van gegevens die door andere aanvragers zijn verstrekt indien:

a. met betrekking tot de gegevens voor de opneming van de werkzame stof in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG een periode van tien jaar is verstreken na de datum van opname in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG van de in het gewasbeschermingsmiddel werkzame stof, of

b. met betrekking tot andere gegevens dan de gegevens, bedoeld in onderdeel a, een periode van tien jaar is verstreken na de toelating door het college van een gewasbeschermingsmiddel, voor zover voor die toelating door andere aanvragers gegevens zijn verstrekt.

3.In afwijking van het eerste lid, kan het college, bij de behandeling van de aanvraag gebruik maken van aanvullende gegevens die door andere aanvragers zijn verstrekt voor:

a. de opname van een werkzame stof,

b. het wijzigen van de voorwaarden voor de opname van een werkzame stof, of

c. de handhaving van de opname van een werkzame stof, in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG indien een periode van vijf jaar is verstreken na de datum van het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen volgend op de ontvangst van de betreffende aanvullende gegevens.

4.Het college gebruikt de in het derde lid bedoelde aanvullende gegevens van een andere aanvrager niet eerder dan nadat de periodes genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b, zijn verstreken.

@

§ 2. De toelatingsprocedure

@

Artikel 28. Toelatingsvoorwaarden

1.Een gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten indien het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarde dat:

a. de werkzame stoffen die het bevat in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG zijn vermeld en voldoen aan de voorwaarden van die bijlage,

b. het gewasbeschermingsmiddel na toepassing van de uniforme beginselen van bijlage VI bij richtlijn 91/414/EEG op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis aan de hand van het onderzoek van het dossier, rekening houdend met alle normale omstandigheden waaronder het gewasbeschermingsmiddel kan worden gebruikt en de gevolgen van het gebruik:

1°. voldoende werkzaam is,

2°. geen onaanvaardbare uitwerking heeft op planten of plantaardige producten,

3°. geen onnodig lijden of pijn veroorzaakt bij te bestrijden gewervelde dieren,

4°. geen directe of indirecte schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van mens of dier via drinkwater, voedsel, voer of welke andere wijze dan ook of op het grondwater, en

5°. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de volgende aspecten:

– de plaats waar het middel in het milieu terechtkomt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van het water, waaronder drinkwater en grondwater,

– de gevolgen voor niet-doelsoorten,

c. de aard en de hoeveelheid van de werkzame stoffen en zo nodig de in toxicologisch en ecotoxicologisch opzicht belangrijke onzuiverheden en hulpstoffen worden bepaald overeenkomstig de bij een communautaire maatregel vastgestelde methoden, of, voor zover deze methoden niet zijn vastgesteld, overeenkomstig door Onze Minister vastgestelde of goedgekeurde methoden,

d. de residuen die het gevolg zijn van geoorloofd gebruik die in toxicologisch opzicht of vanuit milieu oogpunt van belang zijn, kunnen worden bepaald met algemeen gebruikte passende methoden,

e. de fysische en chemische eigenschappen van het gewasbeschermingsmiddel zijn vastgesteld en voor juist gebruik en adequate opslag van het middel aanvaardbaar zijn geacht, en

f. de voorlopige maximum residugehalten op landbouwproducten die zijn bepaald aanvaardbaar zijn en aan de Commissie der Europese Gemeenschappen zijn medegedeeld.

2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake de toepassing van uniforme beginselen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aanhef, voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen.

3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de beoordelingsmethoden bij de toepassing van de toelatingsvoorwaarden, bedoeld in het eerste lid, alsmede regels inzake onder meer:

a. de geschiktheid voor niet-professionele gebruikers;

b. de methode waarmee de op grond van artikel 29 vast te stellen voorschriften worden bepaald.

4.Een toelating geldt voor een in het besluit tot toelating te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren.

5.Indien Onze Minister overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging, of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede en derde lid kan hij, indien een onmiddellijke voorziening vereist is, regelen stellen overeenkomstig de voorgenomen maatregelen.

6.Een regeling als bedoeld in het vijfde lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na het in werking treden van de regeling.

@

Artikel 29. Voorschriften

1.Het college geeft bij de toelating voorschriften omtrent:

a. de doeleinden waarvoor het gewasbeschermingsmiddel uitsluitend dan wel niet gebruikt mag worden,

b. de voorzorgsmaatregelen die nodig zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 28, eerste lid, onderdelen b tot en met f, alsmede het krachtens het tweede, derde en vijfde lid van dat artikel bepaalde,

c. goede praktijken alsmede waar mogelijk, de toepassing van de beginselen van geïntegreerde bestrijding, en

d. de samenstelling, kleur, grootte, vorm, afwerking, verpakking, aanduidingen en vermeldingen op, aan, bij of van de verpakking van het gewasbeschermingsmiddel.

2.Het college kan bij de toelating voorts voorschriften geven over onder meer:

a. het op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel voor een aangewezen categorie van personen of rechtspersonen,

b. het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel voor een aangewezen categorie van personen of rechtspersonen alsmede:

1°. de tijden en plaatsen waarop,

2°. de klimatologische omstandigheden waaronder,

3°. de doseringen waarin,

4°. de wijze waarop, of

5°. de technische hulpmiddelen waarmede, het gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast,

c. het gebruik van technische veiligheidsmaatregelen, of

d. door de gebruiker van het gewasbeschermingmiddel in acht te nemen veiligheidstermijnen, voorzorgsmaatregelen en veiligheidsadviezen met betrekking tot de bescherming van zichzelf, andere gebruikers, leveranciers, werknemers, consumenten, dieren of het milieu bij:

1°. het oogsten of in het verkeer brengen van behandelde planten of delen daarvan,

2°. het gebruik van behandelde planten of delen daarvan,

3°. het telen van gewassen op behandelde grond,

4°. het gebruik van behandeld water,

5°. het betreden of gebruiken van behandelde ruimten, oppervlakken en goederen,

6°. het betreden of gebruiken van ruimten, waarin zich behandelde goederen bevinden of bevonden, of

7°. het informeren van gebruikers, leveranciers en werknemers over de gevaren en de maatregelen tot voorkoming van gevaar bij handelingen als bedoeld onder 1° tot en met 6°.

3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste en tweede lid alsmede over te stellen voorschriften inzake:

a. de toepassing van beginselen van geïntegreerde bestrijding als bedoeld in artikel 78,

b. de uitvoering van goede praktijken als bedoeld in artikel 79,

c. het gebruik van voertuigen, werktuigen, methoden, technieken, materialen bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 80,

d. een ingevolge artikel 81 aan te vragen vergunning, vrijstelling, ontheffing of meldingsplicht.

4.Indien Onze Minister overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging, of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid kan hij, indien een onmiddellijke voorziening vereist is, regelen stellen overeenkomstig de voorgenomen maatregelen.

5.Een regeling als bedoeld in het vierde lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na het in werking treden van de regeling.

@

§ 3. Bijzondere vormen van toelating

@

Artikel 30. Toepasselijkheid paragrafen 1 en 2

1.Aanvragen voor bijzondere vormen van toelating als bedoeld in deze paragraaf worden overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 van dit hoofdstuk in behandeling genomen voor zover in deze paragraaf geen andersluidende bepalingen zijn opgenomen.

2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor bijzondere vormen van toelating als bedoeld in deze paragraaf nadere regels worden gesteld in verband met de bijzondere aard van die vormen van toelating.

@

Artikel 31. Vereenvoudigde uitbreidingstoelating

1.Het college kan op aanvraag besluiten tot uitbreiding van de toepassing van een eerder toegelaten gewasbeschermingsmiddel aan de hand van de voorwaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 3° tot en met 5°, wanneer het voorgenomen gebruik een kleine omvang heeft in vergelijking met het gebruik dat verband houdt met de eerdere toelating.

2.Het college besluit op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid of op verzoek van Onze Minister tot uitbreiding van een toepassing als bedoeld in het eerste lid, wanneer dit in het openbaar belang is en het voorgenomen gebruik van kleine omvang is.

3.De aanvrager deelt het college bij de aanvraag mede hoe de voorschriften voor de uitbreiding van de toepassing aan de gebruikers wordt medegedeeld.

4.Het college kan in het belang van de volksgezondheid, arbeidsbescherming en het milieu ambtshalve een wijze van mededelen bepalen.

5.Onze Minister kan regels stellen voor de toepassing van het tweede en vierde lid.

@

Artikel 32. Afgeleide toelating

1.Het college besluit tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel indien op grond van een ander toelatingsbesluit dat middel in dezelfde samenstelling onder een andere handelsnaam maar voor een zelfde doeleinde is toegelaten.

2.De artikelen 25, eerste en derde lid, alsmede 26 tot en met 29 zijn niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.

3.Het in het eerste lid bedoelde andere toelatingsbesluit geldt eveneens voor het gewasbeschermingsmiddel dat krachtens het eerste lid is toegelaten.

@

Artikel 33. Parallelle toelating

1.Het college besluit tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat:

a. in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is toegelaten,

b. wordt ingevoerd vanuit een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte waar het middel is toegelaten,

c. niet wezenlijk verschilt van een reeds in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel en

d. afkomstig is van de onderneming die het in onderdeel c, bedoelde gewasbeschermingsmiddel vervaardigt, een daarmee gelieerde onderneming, een onderneming die onder licentie het gewasbeschermingsmiddel vervaardigt of een onderneming die beschikt over de verklaringen van toegang, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdelen a en b.

2.De artikelen 25, eerste en derde lid, alsmede 26 tot en met 29 zijn niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.

3.Alle besluiten inzake toelating van het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde toegelaten gewasbeschermingsmiddel gelden eveneens voor het gewasbeschermingsmiddel dat op grond van dit artikel wordt toegelaten.

@

Artikel 34. Voorlopige toelating

1.In afwijking van artikel 28 besluit het college tot voorlopige toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een werkzame stof bevat die niet is vermeld in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG en die op 26 juli 1993 nog niet in een lidstaat van de Europese Unie op de markt was en daarmee niet ingevolge een communautaire maatregel is gelijkgesteld, indien:

a. de werkzame stof naar het oordeel van het college voldoet aan de voorwaarden om in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG geplaatst te mogen worden en

b. het gewasbeschermingsmiddel naar het oordeel van het college voldoet aan het gestelde bij of krachtens artikel 28, eerste lid, onderdelen b tot en met f, alsmede het krachtens het tweede, derde en vijfde lid van dat artikel bepaalde.

2.Een toelating als bedoeld in het eerste lid geldt in afwijking van artikel 28, vierde lid, voor een termijn van maximaal drie jaar.

3.Het college doet onverwijld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten een kennisgeving van de beoordeling van het dossier en de toelatingsvoorwaarden.

@

Artikel 35. Toelating op aanvraag van Onze Minister

In afwijking van artikel 24, eerste lid, kan het college op aanvraag van Onze Minister besluiten tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel indien:

a. de werkzame stof niet met het oog op gebruik als gewasbeschermingsmiddel op de markt wordt gebracht,

b. de fabrikant of importeur niet beweert dat sprake is van een voldoende werkzaamheid ter bescherming van planten of gewassen, en

c. het gewasbeschermingsmiddel naar het oordeel van het college onder door het college te stellen voorschriften aan het gestelde bij of krachtens artikel 28, eerste lid, onderdelen b tot en met f, alsmede het krachtens het tweede, derde en vijfde lid van dat artikel bepaalde voldoet.

@

Artikel 36. Wederzijdse erkenning van de toelating

1.Het college besluit tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een of meer werkzame stoffen bevat die zijn vermeld in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG en waarvan de werkzame stoffen deel uitmaken van een in een andere lidstaat van de Europese Unie toegelaten gewasbeschermingsmiddel. De aanvrager verstrekt gegevens om de vergelijkbaarheid van het gewasbeschermingsmiddel met het in een andere lidstaat van de Europese Unie toegelaten gewasbeschermingsmiddel te staven.

2.Het college kan geen herhaling van proeven of analyses vragen van de in het eerste lid genoemde gewasbeschermingsmiddelen voor zover de agrarische, fytosanitaire, ecologische, met inbegrip van klimatologische omstandigheden bij de proeven of analyses die in de andere lidstaat zijn uitgevoerd met betrekking tot het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel, vergelijkbaar zijn met de Nederlandse omstandigheden.

3.Het college neemt bij de toelating voorschriften op die voortvloeien uit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels indien:

a. die verband houden met verschillen in voedingsgewoonten en noodzakelijk zijn in verband met de consumptie van behandelde producten of

b. de agrarische, fytosanitaire en ecologische met in begrip van klimatologische omstandigheden niet vergelijkbaar zijn met de omstandigheden die zich in de in het eerste lid genoemde lidstaat voordoen.

4.Het college stelt de aanvrager, Onze Minister en de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van de gevallen waarin herhaling van een proef wordt geëist en van de gevallen waarin het college voornemens is toelating van een reeds in een lidstaat van de Europese Unie toegelaten gewasbeschermingsmiddel te weigeren, terwijl de aanvrager aanvoert dat de agrarische, fytosanitaire en ecologische, met inbegrip van klimatologische, omstandigheden met betrekking tot het gebruik van het middel in de gebieden van de lidstaat waar de proef is uitgevoerd of waarvoor de toelating is verstrekt vergelijkbaar zijn met die in Nederland.

5.Het college geeft bij zijn voornemen, bedoeld in het vierde lid, de naam en specificaties van het gewasbeschermingsmiddel alsmede de redenen van het voornemen tot weigering van de toelating.

6.Wanneer de Commissie van de Europese Gemeenschappen een communautaire maatregel heeft genomen naar aanleiding van een kennisgeving van het college als bedoeld in het vierde lid of een kennisgeving van een autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, deelt Onze Minister aan het college mede of er redenen zijn om in afwijking van de communautaire maatregel het gewasbeschermingsmiddel voorlopig toe te laten, toelating van het gewasbeschermingsmiddel te weigeren, de toelating van het gewasbeschermingsmiddel te beperken of in te trekken.

7.Het college besluit tot toelating, weigert een toelating, beperkt een toelating of trekt een toelating in ingevolge daartoe door de Commissie van de Europese Gemeenschappen genomen communautaire maatregelen, overeenkomstig de mededeling van Onze Minister, bedoeld in het zesde lid.

@

§ 4. Vrijstelling

@

Artikel 37. Proeven

1.Het college kan op aanvraag vrijstelling verlenen van de verboden, bedoeld in de artikelen 19 en 20, voor een gewasbeschermingsmiddel met betrekking tot een proef of experiment voor onderzoek of ontwikkelingsdoeleinden, indien de proef of het experiment naar het oordeel van het college onder gecontroleerde omstandigheden en voor beperkte hoeveelheden en oppervlakten wordt uitgevoerd.

2.De aanvrager verstrekt het college alle beschikbare gegevens op grond waarvan de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier alsmede het effect op het milieu kunnen worden beoordeeld.

3.Het college besluit niet tot vrijstelling indien de voorgenomen proef of het voorgenomen experiment schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare nadelige effecten op het milieu kan hebben zonder dat deze gevolgen of effecten onder het stellen van voorschriften voorkomen kunnen worden.

4.Het college kan aan een vrijstelling voorschriften verbinden en verbindt in ieder geval aan een vrijstelling voorschriften die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van gemeenschappelijke voorwaarden als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van richtlijn 91/414/EEG, voor zover deze voorwaarden zijn vastgesteld.

5.Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend.

6.Onze Minister kan instanties erkennen met het oog op het verrichten van bepaalde proeven en experimenten en daarbij voorschriften stellen voor de wijze waarop de proeven of experimenten worden verricht. Onze Minister kan de erkenning naar zijn oordeel schorsen, wijzigen of intrekken.

7.Onze Minister kan bij regeling voorwaarden stellen voor de erkenning van instanties. Onze Minister geeft bij het vaststellen van voornoemde voorwaarden onder meer uitvoering aan gemeenschappelijke voo

© 2011 - 2017 Spuitmiddelen | sitemap | rss | webwinkel beginnen - powered by Mijnwebwinkel